Christophe Vekeman lovend over de nieuwe David Mitchell, een lijvige roman vol jaren-zestig-psychedelica

Fictie Klara

In 'Utopia Avenue', de nieuwe vuistdikke roman van de Britse schrijver David Mitchell, wemelt het van de sixties-beroemdheden. Christophe Vekeman las het boek en eens voorbij pagina 100 wordt het meeslepend, vertelt hij aan Nicky Aerts in Pompidou.

Nooit gemaakte muziek waarnaar je benieuwd wordt

'Zo leren wij bijvoorbeeld Francis Bacon kennen als een flirterige dronken dandy die ontbijt met bloody mary en een pleurishekel heeft aan jazz, en vangen wij ook een glimp op van Lucian Freud.

De meeste beroemdheden in het boek, echter, zijn muzikanten, die niet zelden nog heel wat meer de hoogte hebben dan Bacon. Aan John Lennon, bijvoorbeeld, wordt op zeker ogenblik gevraagd waarom hij zich toch al de hele tijd onder de tafel bevindt, wat is hij in hemelsnaam doende daar zo ijverig te zoeken? Antwoord: zijn verstand, dat de radeloze Beatle naar zijn eigen zeggen immers heeft verloren. Ook Keith Moon, Brian Jones en Jimi Hendrix zijn in het boek nog van de partij, welk partijtje dag en nacht doorgaat, tot het uiteindelijk toch ophield, natuurlijk, zoals de geschiedenis ons heeft geleerd.

Wel min of meer nuchter is de jonge Leonard Cohen, die door Mitchell slim en subtiel geportretteerd wordt als een gladde praatjesmaker annex playboy met zijn ‘tot o zo diep in je ziel borende ogen (…) in het maanlicht’, en om die ontluistering te bereiken gaat Mitchell als volgt te werk. Bekend is de anekdote die Leonard Cohen zelf vertelde als introductie bij zijn song ‘Chelsea Hotel’: op een dag stond hij in de lift van het genoemde legendarische hotel toen de deur openging en Janis Joplin de cabine binnenstapte. Cohen vroeg: ‘Are you looking for someone?’ Joplin zei: ‘Yes, I’m looking for Kris Kristofferson.’ Waarop Cohen grapte: ‘Little lady, you’re in luck, I’m Kris Kristofferson.’

In de roman, nu, staat Cohen opnieuw in die lift van het Chelsea Hotel, maar krijgt hij als antwoord op zijn openingsvraag te horen dat het meisje – niet Janis Joplin – naar Jim Morrison op zoek is. Cohen beweert vervolgens dat hij Jim Morrison is. Een en ander doet de oorspronkelijk oergeestige dialoog die door Cohen naverteld werd tijdens een concert – en op een liveplaat – verschralen tot een vrij banale versiertruc, die door de bard blijkbaar keer op keer in de strijd werd gegooid, en het gevolg hiervan is dat Cohen plots wel héél menselijk wordt, net als alle beroemdheden die door David Mitchell worden opgevoerd in dit boek dat als een ode kan worden gelezen, niet aan degenen dus die de muzikale canon bevolken, maar wel aan die doodenkele jaren dat de swinging sixties hebben geduurd – een ode aan de hoop, aan de vrijheid van geest en de vrijheid van liefde, aan de verbeelding en de onbegrensde mogelijkheden van de fantasie. En niet te vergeten aan de muziek zelf.

Lees de volledige recensie van Christophe Vekeman om klara.be

Deel dit artikel

Nog meer boekennieuws op

Kom erbij en lees mee.

Begint het te kriebelen?

Goesting om jouw boekenkast aan te leggen?
Laat het leesplezier beginnen!

Log in met je VRT profiel

Meer leesplezier?

Blijf je graag op de hoogte van alle nieuwtjes?
We sturen je elke week een verse update!

Schrijf je in op de nieuwsbrief