Hoe komt het dat de bestseller 'De straat' uit 1946 samen met de auteur Ann Petry in de vergetelheid geraakte?

Fictie Pompidou

De Amerikaanse schrijfster Ann Petry debuteerde in 1946 met 'De straat'. Daarin beschrijft ze het harde leven van een alleenstaande, zwarte moeder in Harlem. Catherine Vuylsteke las het boek.

'Ann Petry, een zwart Amerikaanse auteur, is een beroemde onbekende', vertelt Catherine in Pompidou. Haar debuut was meteen een bestseller met anderhalf miljoen verkochte exemplaren en werd ook meteen wereldwijd vertaald. En toch werd het boek niet opgenomen in de literaire canon van zwart Amerika: ze duikt niet op in wetenschappelijke artikels over Afro- American schrijvers van de eerste helft van de 20ste eeuw, zoals James Baldwin en Maya Angelou. Dat is heel jammer want haar debuut is echt formidabel!

Het is te danken aan de Amerikaanse literatuurprofessor Tayari Jones die in 2018 een publiek pleidooi heeft gehouden om Ann Petry op te vissen uit de vergetelheid en 'The Street' opnieuw uit te geven. Dit gebeurde en ook voor de Nederlandse vertaling.

Waarom het destijds vergeten is geraakt is volgens professor Jones te wijten aan het feit dat men in die tijd dacht dat literatuur geschreven door vrouwen altijd ‘witte vrouwen-literatuur' was en niet 'zwarte vrouwen-literatuur'. Een ander element kan zijn, en dit is niet negatief bedoeld, dat 'De straat' op het snijvlak tussen bellettrie en pulp zit: het is een verhaal dat leest als een trein maar tegelijk ook fantastisch mooi is geschreven.

Waarover gaat het boek?

Het is het verhaal van Lutie Johnson, een mooie jonge zwarte vrouw, getrouwd met haar jeugdliefde Jim, met als setting de stad New York. Omdat haar man, net als veel zwarte mannen geen job vindt, gaat zij werken als dienstmeisje bij een blanke familie in een andere deelstaat van de VS en zo komt ze maar eenmaal per maand naar huis. Jim voelt zich niet goed bij deze situatie en legt het aan met een andere vrouw.

Typisch voor Petry en haar romanpersonages is dat ze heel veel oog heeft voor de fundamentele menselijkheid, ook bij schurken. Lutie die haar man betrapt, vertrekt met haar zoon Bub en gaat bij haar vader wonen, ook een werkloze die alcohol stookt, geen ideale omgeving om een kind groot te brengen. Vooral omdat haar vader ook relaties heeft met vrouwen waarop Lutie niet zo gek is.
Ze gaat een flatje huren in 116th Street in Harlem en deze straat wordt zelf ook een personage in het boek. Het is een buurt waar heel veel armoede heerst en mensen in kamers wonen waar naargeestige muren op je afkomen zodra het licht uitgaat. Lutie is ondernemend: ze schoolt zich bij en is vast van plan om voor haar en haar zoon een nieuw leven uit te bouwen, alleen is dit against all odds. Er komen een heleboel personages bij die een microkosmos vormen en een afspiegeling van de hele maatschappij vormen. Lutie’s schoonheid vormt bijna een nadeel: permanent hangen rond haar een paar likkebaardende roofdieren die haar zien als een prooi, die snode plannetjes bedenken waarvan je als lezer afvraagt: ‘zal ze erin trappen?’.

Petry schept een heel kritisch beeld van de maatschappij. Het verhaal blijft heel beklemmend. Lutie probeert dat betere leven uit te bouwen...Het is een heel interessant portret van de VS en de zwarte wereld van Harlem, New York net na de Tweede Wereldoorlog. Het is opvallend hoeveel nu nog doorwerkt, je zou tal van citaten uit het boek kunnen halen en zeggen: ‘in 2020 is het nog steeds zo’. Een absolute ontdekking, besluit Catherine Vuylsteke.

Herbeluister de recensie in Pompidou hieronder.

Deel dit artikel

Nog meer boekennieuws op

Kom erbij en lees mee.

Begint het te kriebelen?

Goesting om jouw boekenkast aan te leggen?
Laat het leesplezier beginnen!

Log in met je VRT profiel

Meer leesplezier?

Blijf je graag op de hoogte van alle nieuwtjes?
We sturen je elke week een verse update!

Schrijf je in op de nieuwsbrief