Christophe Vekeman vindt 'Het spel meespelen' van Joan Didion meesterlijk

Fictie Pompidou

De eerste Nederlandse vertaling van 'Het spel meespelen', de tweede roman van schrijfster Joan Didion, is verschenen bij Uitgeverij De Arbeiderspers. Christophe Vekeman vindt dit boek meesterlijk.

Een jaar nadat haar memoir 'Het jaar van magisch denken' en de door Joost de Vries samengestelde essaybloemlezing 'De verhalen die we onszelf vertellen' verschenen, publiceert De Arbeiderspers nu ook de eerste Nederlandse vertaling van de tweede roman van de Californische, in 1934 geboren Joan Didion. Het boek dateert van 1970, draagt als titel 'Het spel meespelen' en verdient het etiket ‘meesterlijk’.

'Play It as It Lays', zoals de titel in het Engels luidt, begint met drie korte monologen, drie verklaringen zeg maar, van drie verschillende mensen. De eerste die het woord tot ons richt, is Maria geheten, uit te spreken als ‘Mar-eye-ah’, zoals zij zelf ten stelligste benadrukt. En er zijn nog een aantal dingen die zij heel duidelijk stelt en waarover zij ontegensprekelijk helder kan zijn. Dat is namelijk, vernemen wij, de taak die men haar opgelegd heeft: een nieuwe poging doen ‘het spel gewillig mee te spelen’ en zich zodoende op de feiten te richten, zeg maar op de werkelijkheid en op het houvast dat die te bieden heeft. Daarom: zij is een niet heel bekende actrice van eenendertig, getrouwd, gescheiden, en ze heeft een dochter van vier die waar zij nu is elektroden op haar hoofd en naalden in haar ruggengraat geplaatst krijgt in de hoop erachter te komen wat er met haar scheelt.

Maria is geboren in Reno, Nevada, en van haar vader, zegt zij, heeft zij ‘mijn optimisme geërfd dat ik pas sinds kort kwijt ben’. Even later echter blijkt het met dat optimisme eertijds nogal meegevallen te zijn, als zij bekent: ‘ik heb nooit een plan gehad in mijn leven, het heeft geen zin, er komt toch niets van.’ En inderdaad, veel reden tot optimisme heeft het leven niet dikwijls te bieden. Maria’s moeder, bijvoorbeeld, vond de dood toen haar auto van de weg af geraakte: ‘het duurde een paar weken voor ik het wist omdat de coyotes haar hadden verscheurd’.

De andere twee, nog veel kortere monoloogjes zijn van de hand van Maria’s ex-man Carter, een filmregisseur, en van ene Helene, die bij de lezer de vraag oproept waarom Maria – want daar heeft het toch de schijn van – in een luxueuze instelling vertoeft, en niet in de gevangenis. Ze deelt ons mee dat ze Maria heden bezocht heeft: ‘Ik zag haar zitten bij het zwembad in dezelfde bikini die ze die zomer droeg toen ze BZ heeft vermoord, ze lag bij dat zwembad met een zonneklep over haar ogen alsof ze zich over niets of niemand druk hoefde te maken.’

Hoe dat allemaal in elkaar zit, komen wij natuurlijk te weten in de loop en meer bepaald aan het einde van de roman, die verder volledig in de derde persoon en vanuit het standpunt van Maria is geschreven en de lezer onderdompelt in de hel van het Hollywood en het Beverly Hills van eind jaren zestig, een hel die sterk doet denken aan de wereld die wij kennen uit de boeken van Bret Easton Ellis, wiens anti-woke-pamflet 'White' van twee jaar geleden qua titel trouwens knipoogde naar Didions 'The White Album' uit 1979.

Een wereld, wil dat zeggen, waarin ouders die hun dochter uitwuiven nadat zij op een vliegtuig is gestapt, zich per definitie tot het verkeerde raampje richten; een wereld waarin vrouwen aangaande hun vaste kapper stellen: ‘Als ik in de stad ben, en Leonard niet, dan voel ik me bijna… bang’, om vervolgens tranen in de ogen te krijgen; een wereld waarin seks in de regel schippert tussen gevoelloos en gewelddadig; een wereld waarin de neurose – over magisch denken gesproken – de ultieme vorm van humor is: ‘In dezelfde geest had ze een maand eerder een volle doos Tampax in de vuilnisbak gegooid: als je zonder Tampax zat werd je gegarandeerd ongesteld en als je naakt tussen witte lakens sliep kreeg je geheid vlekken. Om de magie optimaal de kans te geven verschoonde ze elke ochtend de smetteloze lakens. Of ze droeg een witte crêpe pyjama of geen ondergoed naar een feestje.

Ze hield zichzelf voor dat ze de baby wilde houden, om teleurstelling uit te lokken, te flirten met een miskraam.’ Maar die miskraam vindt niet plaats, zodat de wereld van Bret Easton Ellis later overlapt met die van William S. Burroughs in passages als ‘De hele dag moest Maria denken aan foetussen die in de East River doorzichtig als kwallen langs de mondingen van het riool dreven tussen de sinaasappelschillen’…

"De roman gaat in de eerste plaats over zelfvervreemding, het soort van vervreemding dat vaak een specifieke psychische vluchtfunctie heeft."

Het is heel goed mogelijk 'Het spel meespelen' te lezen als een heuse anti-abortusroman, omdat Didion er op verschillende manieren op wijst hoe de mogelijkheid tot abortus mannen in staat stelt baas over de vrouwelijke buik te spelen: ‘Ze zou doen wat hij wilde. Ze zou dit ene laatste ding nog doen en daarna zouden ze haar nooit meer kunnen raken.’

Maar de roman gaat in de eerste plaats over zelfvervreemding, het soort van vervreemding dat vaak een specifieke psychische vluchtfunctie heeft en daarom als voordelig of zelfbeschermend kan worden omschreven, doch uiteindelijk, wanneer na verloop van tijd en als gevolg van een en ander het bestaan uitsluitend nog een ijl en ijdel spel is dat dient te worden meegespeeld, een zware, zeer zware tol eist. Voor Maria vervluchtigt het leven al terwijl zij bezig is het te leiden, en ze komt terecht ‘waar niets is. 'Het spel meespelen' is, u merkt het, een verschrikkelijk boek. Verschrikkelijk goed.

Christophe Vekeman

Het spel meespelen is verschenen bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

Uit het Engels vertaald door Corine Kisling

Deel dit artikel

Nog meer boekennieuws op

Kom erbij en lees mee.

Begint het te kriebelen?

Goesting om jouw boekenkast aan te leggen?
Laat het leesplezier beginnen!

Log in met je VRT profiel

Meer leesplezier?

Blijf je graag op de hoogte van alle nieuwtjes?
We sturen je elke week een verse update!

Schrijf je in op de nieuwsbrief