Christophe Vekeman herleest een oude liefde: Simon Vestdijk

Non-fictie Pompidou

Een Alpenroman, geschreven door Simon Vestdijk, verscheen voor het eerst in 1961 en is nu heruitgegeven. Christophe Vekeman is uiterst enthousiast:

'De afgelopen tijd bracht ik Simon Vestdijk al enkele malen zijdelings ter sprake in Pompidou, dus ben ik vandaag vanzelfsprekend uitermate verguld met het feit hem eindelijk eens mijn vólle aandacht te kunnen schenken. Vestdijk, zo mag u namelijk weten, lag ooit aan de basis van mijn jeugddroom om al schrijvend in mijn levensonderhoud te kunnen voorzien, wat alles te maken had met zijn roman 'Ivoren wachters', waarin hoofdfiguur Philip Corvage op zeker moment zijn tandarts vergoedt, niet met geld, maar met een in de wachtkamer vervaardigd gedicht. Niets had al – en heeft sindsdien ooit nog – op die manier, met zoveel kracht, tot mijn verbeelding gesproken, en de rest, zeg maar, is de geschiedenis van mijn leven…

'Ivoren wachters' verscheen in 1951, maar het boek waarover wij het heden zullen hebben, dateert van tien jaar later en is geheten: Een Alpenroman. Niet meteen een titel met enorme spektakelwaarde, inderdaad, al laat zich eenvoudig voorstellen dat de roman zelf, of alleen nog maar de korte samenvatting ervan, wel degelijk voor het nodige opzien zorgde in een tijd dat zelfs Gerard Reve zich nog niet in het openbaar tot de herenliefde bekend had: het boek handelt over de liefde tussen twee vrouwen.

Wat gebeurt er? Wel, de Nederlandse Lucie wordt door haar man begeleid naar een klein, weinig luxueus hotel in de Duitse Alpen, waar zij volgens plan verschillende weken in haar eentje zal verblijven teneinde de nodige rust te hervinden: ‘De laatste jaren had zij genoeg op haar schouders geladen, zij had nu het recht alleen aan zichzelf te denken: daarvoor was zij hier. Niets van buiten af, geen inbreuk, geen dochters met kuren, – bergen, dalen, zuivere lucht, leuke koeien.’

Veel rust, echter, zal voor de 43-jarige, aan een onduidelijke hartkwaal lijdende Lucie als gezegd niet weggelegd zijn, daar algauw dat hart van haar fel aan het bonzen van verliefdheid gaat. Het begint ermee dat haar man Henk, achttien ouder dan zij, voorlopig voor het laatst de avondmaaltijd met haar gebruikt in het restaurant van het hotel en er een kelnerin verschijnt die door Vestdijk wordt omschreven als ‘een lange, broodmagere vrouw’, ‘niet mooi, niet onknap’, en die door Henk zelfs uitgesproken laatdunkend ‘een geraamte met borstjes’ genoemd wordt. Lucie, op haar beurt, is meteen veelzeggend milder in haar oordeel en noemt de – zoals later blijkt – ongeveer dertigjarige, opvallend kaarsrechte, in haar ogen blijkbaar adellijk aandoende dienster ‘de hertogin van Kent’.

De volgende ochtend, Henk is alweer naar Nederland, staat Lucie op haar kamer haar voeten te wassen, ‘half naakt, één been opgetrokken, toen er geklopt werd’, en vallen haar de ‘schitterende blauwe ogen’ van de vrouw op, waarop zij haar aankijkt met ‘iets van beklemming, iets als een vage schrik, een gevoel van: zo is het nu, dit is het, hoe idioot, hoe verbazend gek…’ En weer niet veel later is er van ‘de hertogin van Kent’ geen sprake meer, maar gaat het in de gedachten van Lucie alleen nog maar over ‘mijn Anna’.

Behalve een veelschrijver – al zijn boeken samen nemen volgens het nawoord bij Een Alpenroman ‘zes meter kastruimte’ in beslag – was Vestdijk ook een erg veelzíjdig schrijver die, alleen nog maar over zijn 52 romans gesproken, zowel met regelmaat de autobiografische kaart trok, om dan weer bijvoorbeeld met een historische roman op de proppen te komen. Mijn eigen voorkeur, echter, gaat naar zijn zogeheten ‘psychologische romans’ uit, zoals deze er een is: boeken waarin er stevig wordt geroerd en diep gegraven in het zielenleven van de personages, zonder dat de verteltrant evenwel al te uitleggerig wordt, en waarin er bovendien, anders dan het geval is bij de meeste boeken in het genre, ook altijd wel plaats is voor het soort van actie dat je eerder met misdaadverhalen zou associëren: er wordt al eens een mes getrokken, zeg maar, of met geweld een arm gebroken.

"Het is een magnifieke ode aan de eeuwige, zuivere liefde"

Voorts valt op hoe vrijmoedig Vestdijk zijn lezers te woord staat: het vrouwelijk orgasme, impotentie, abortus, masturbatie, meisjesjongens, een heus triootje, het passeert allemaal de revue in dit – dixit criticus Ben Stroman indertijd – ‘zieke’ boek, in deze ‘weerzinwekkende kweek van kunstmatige ziekteverschijnselen’. Voeg daarbij de droge humor van Vestdijk, zoals die mooi tot uiting komt in de volgende scène, waarin de schoonzoon van Lucie tegen haar zijn beklag doet over haar dochter en vertelt ‘dat Babs, de eeuwige Babs, zó nuchter en afleidbaar was tijdens de echtelijke omgang, dat zij het gepresteerd had om vrijwel op het moment suprême de nachtelijke stilte te verscheuren met: “Ik geloof toch niet, dat die dokter Boerema zo goed is.”’

Maar 'Een Alpenroman' is natuurlijk niet in de eerste plaats een pikant of humoristisch boek. Het is een magnifieke ode aan de eeuwige, zuivere liefde, die zich qua verschijningsvorm niet voelt gebonden aan de wensen van de maatschappij, en die in het boek dan ook glorieert. Het is, kortom, een doorslaggevend bewijs dat we nooit ofte nimmer mogen ophouden met het over Vestdijk te hebben.'

Christophe Vekeman

De Alpenroman is verschenen bij Uitgeverij kleine Uil.

Deel dit artikel

Nog meer boekennieuws op

Kom erbij en lees mee.

Begint het te kriebelen?

Goesting om jouw boekenkast aan te leggen?
Laat het leesplezier beginnen!

Log in met je VRT profiel

Meer leesplezier?

Blijf je graag op de hoogte van alle nieuwtjes?
We sturen je elke week een verse update!

Schrijf je in op de nieuwsbrief