Barber van de Pol verdiepte zich in het leven van de Nederlandse schrijfster Carry van Bruggen

Biografie Klara

Carry van Bruggen (1881-1932) was een compromisloze schrijfster en essayiste. Als vrouw en als Joodse voelde ze zich een buitenstaander in de culturele wereld van haar tijd. Het weerhield haar er niet van te schrijven, en duidelijk stelling in te nemen. In 'Er is geen ander zijn dan anders zijn' onderzoekt Barber van de Pol wat we vandaag nog kunnen leren van Carry van Bruggen.

Barber van de Pol is vertaalster van de boeken van onder meer Borges en Cervantes en is zelf ook schrijfster en columniste. In Pompidou vertelt Barber over Carry van Bruggen.

Wie is Carry van Bruggen?

Carry van Bruggen, in 1891 geboren, maakt in 1932 een einde aan haar leven. Ze was de zus van Jacob Israël de Haan die ook schreef en met wie ze een buitengewoon hechte band had. Ze zijn binnen hetzelfde jaar geboren en Carry was de oudste. Ze trokken samen nauw op tijdens hun jeugd en Carry heeft, volgens Barber, de rest van haar leven heimwee gehad naar het voortdurend contact met die ene die als klankbord dient en die een soort helende functie heeft als je met je afkomst, gezin en religie breekt.

Carry was autodidact, moeide zich met alles, had een minnaar (Frans Coenen) en schreef heel wat fantastische boeken. ‘Eva’ is één van de eerste modernistische romans in de Nederlandse literatuur. ‘Een coquette vrouw’ was het eerste boek dat Christophe Vekeman, ook in de studio en Carry-fan, van haar las. Hij waardeert haar vooral voor de openhartigheid en volledig gebrek aan terughoudendheid in haar werk.

Slingerslag

'Het moet een bijzonder innemende persoonlijkheid zijn geweest, ze zat tussen uitersten en werd constant van het ene naar het andere geslingerd', vertelt Chantal die 'Er is geen ander zijn dan anders zijn' las. Carry noemde het zelf ‘de slingerslag’. Ze heeft ook een taalfilosofisch werk geschreven: 'Prometheus'. Daarin stelt ze het leven voor binnen één mens maar ook binnen generaties en binnen groepen, als een slingerslag, een dialectische beweging.

Dit betekent dat je je enerzijds wil onderscheiden van de ander, van de groep en je er anderzijds in wil opgaan. In ‘Prometheus’ was ze onder invloed van Hegel van wie ze de vorm ontleent, de dialectiek. En zo kan je die slingerslag begrijpen: je bent én individu, onverdeeld, én je hebt die vloeibare ‘ikken’ die in grotere verbanden (willen) opgaan en zich dan weer verzetten omdat ze dit niet willen. De synthese van dit over en weer gaan is er niet. Dit is ook haar theorie en haar noodlottige kijk op het leven. Ze omarmde ook elke tekortkoming van de mens, zolang ze het maar begreep. ‘Als ik het maar begrijp’ was haar levensmotto. Ze vond dat je ook recht had op dat soort onrust.

In haar boek verbindt Barber deze visie met het denken van Patricia De Martelaere en haar essaybundel ‘Een verlangen naar ontroostbaarheid’. Carry is een 'hele boel en zoveel meer' vertelt Barber 'maar ze had een essayistische levenshouding, iets tussen waarheid en willekeur in, de melancholie vanwege het niet lukken, die rust niet vinden, maar het toch verwachten', legt Barber uit.

'Carry heeft van het denken een nationale sport gemaakt' vindt Chantal. 'Ze was er fier op dat ze een flink stel hersens had en het goed kon verwoorden. Dat blijkt uit haar columns en romans. Ze vond dat ze het aan zichzelf en haar talenten verplicht was haar verstand heel goed te gebruiken. Ze had ook altijd het idee dat ze dingen op spoor was. Ze liep haar neus achterna en heeft daar mooie verhaaltjes over geschreven, over 'een stampvoetende puber': een mooi beeld van zo’n meisje dat méér wil dan zich aanpassen om dan een beetje gemiddeld te zijn en ja te knikken', gaat Barber verder.

#jesuiscarry en #noussommescarry

In het begin van het boek schrijft Barber ‘je suis Carry’ en op het einde wordt dit ‘nous sommes Carry’, als een soort appel naar alle vrouwen die willen connecteren met Carry van Bruggen. Carry heeft de gelegenheid om je in haar te herkennen.

Door-elkaar-denkend

Ze was Joodse maar dit is nooit een écht thema geworden in haar werk. Het is wel duidelijk dat die Joodse jeugd haar gewond heeft: uitgesloten en uitgescholden worden, geen vriendjes kunnen krijgen hebben haar argwanend gemaakt. Ze was visionair en voorvoelde dat het nazisme aan het eind van de jaren 20 nog groter zou worden.

Carry werd in haar tijd naar waarde geschat, ze schreef ook om den brode. Ze had twee kinderen op te voeden. Ze was razend populair en dit betrof vooral haar naturalistische werk, dat toegankelijker was. Haar minnaar en mentor, Frans Coenen, kende de wereldliteratuur heel goed, spoorde de autodidact Carry van Bruggen aan de stream of consciousness te beproeven en een boek niet noodzakelijk lineair, van a tot z, te bedenken en op te bouwen. Het kan best ook door-elkaar-denkend, net zoals in de realiteit. En dat kon zij als geen ander. Haar taalfilosofisch werk en magnum opus ‘Prometheus’ is een moeilijk boek, je moet er wat moeite voor doen.

In het boek vergelijkt Barber Carry ook met de Oostenrijkse kunstenares Maria Lassnig en Marlène Dumas. De gelijkenis is er vanuit 'haar grote ongemak met seks en de manier waarop ze hierover schreef: 'de man moet niet het recht hebben van de daad in bed, je moet een ongehuwde moeder kunnen zijn'', al die denkbeelden had Carry al.

Herbeluister hieronder Barber van de Pol in Pompidou.

Deel dit artikel

Nog meer boekennieuws op

Kom erbij en lees mee.

Begint het te kriebelen?

Goesting om jouw boekenkast aan te leggen?
Laat het leesplezier beginnen!

Log in met je VRT profiel

Meer leesplezier?

Blijf je graag op de hoogte van alle nieuwtjes?
We sturen je elke week een verse update!

Schrijf je in op de nieuwsbrief