Job

Joseph Roth

Fictie

4 /5

Gelezen? Geef jouw waardering

Succesvol toegevoegd
De vrome dorpsleraar Mendel Singer is de reïncarnatie van de Bijbelse figuur Job, veroordeeld om de beproevingen Gods te ondergaan. Singers vrouw en twee van zijn kinderen komen te overlijden, om naar Amerika te emigreren moet hij zijn gehandicapte zoon achterlaten, en ten slotte moet hij met lede ogen toezien hoe zijn dochter naar een krankzinnigengesticht wordt afgevoerd. Gebukt onder zijn zware lot komt Singer in opstand tegen God en verliest hij de moed om te leven, totdat er op een dag een haast wonderbaarlijke ommekeer van het noodlot plaatsheeft. Job is het aangrijpende verhaal van een eenvoudige joodse man en zijn gezin, en tegelijkertijd de kroniek van een heel volk en van een tijdperk dat afloopt.

Wat anderen schrijven over dit boek

Joseph Roth weet als geen ander door te dringen in het leven van de gewone man. Prachtige roman en wat een slot!

zeer aangrijpend boek van Roth.
prachtig en ontroerend verhaal waarin ellende en beproeving door hoop worden overwonnen.
Josef Roth is een Oude Meester om te koesteren en te herlezen, steeds opnieuw.

Deze roman van Joseph Roth (1894-1939) over een "eenvoudig man" is gebaseerd op de Bijbelse Job. Wie de Bijbel er echter bij neemt merkt terecht op dat Job bij aanvang een welvarend man was, die alles had wat hij maar kon wensen van hem werd ontnomen. De Job in het verhaal van Roth is echter nooit rijk geweest en is best tevreden met zijn armoedige bestaan, tot hij verhuist en het noodlot tegen zich krijgt en uiteindelijk rebelleert tegen God. Job is Gods fucked up man: hoever kan je een gelovig man krijgen tot hij God, het object van zijn adoratie en veredeling, vervloekt en verwenst? Welk greintje hoop schuilt er nog in zo iemand en is de ommekeer mogelijk? Je weet dus dat je je verwacht aan een tragedie met dit werk en geloof me, die ga je ook krijgen.

Joseph Roths' bekendste werk is ongetwijfeld De Radetzkymars (1932), een verbluffend relaas over het aristocratische geslacht Von Trotta dat het verval van de Oostenrijks-Habsburgse dubbelmonarchie beschrijft. Roth studeerde in Wenen en werkte vanaf 1920 in Berlijn als journalist en schrijver. Hoewel hij aanvankelijk progressieve standpunten had, liep hij na een reis naar de Sovjet-Unie al snel over naar het conservatieve kamp. Hij zag in het opkomende nationalisme een gevaar en zette zich af tegen de nazibeweging. In 1933 ontvluchtte hij Duitsland, dat onder het bewind van de nazi's zijn boeken verbood. Zijn vrouw Friedl Reichler beland in het gesticht en is slachtoffer van het euthanasieprogramma van de nazi's, een tragedie die hij zichzelf nooit kan vergeven. Hij doolt rond in Amsterdam en Parijs, waar hij in 1939 op 45-jarige leeftijd berooid stierf in een armenhospitaal. Zijn begraafplaats kan je vinden in het Cimétière de Thiais.

De Job in dit verhaal is de doodgewone vrome Joodse dorpsleraar Mendel Singer, die met zijn vrouw Debora en drie kinderen een bescheiden leven leidt in Zoechnov, tsaristisch Rusland. Ze leven in armoedige toestanden, zoals, maar hij is daar tevreden mee in tegenstelling tot zijn vrouw Debora die hem stilzwijgend verwijt. 'Honderdduizenden voor hem hadden geleefd en lesgegeven zoals hij', aldus Roth. Debora bevalt van een vierde kind, de gehandicapte zoon Menoechem, die de nodige zorgen nodig heeft. Volgens de 'rebbe', een geestelijke raadsman uit het naburige dorp, komt het echter goed met die kleine, maar die hoop blijft ijdel en meer dan 'mama' kan hij na vele jaren niet zeggen. Beide zoons trekken naar het tsaristische leger, waar zoon Jonas blijft. Zoon Sam emigreert naar New York, terwijl dochter Mirjam een relatie begint met een kozak. Deze situatie verandert wanneer Mendel via zijn geëmigreerde zoon de kans krijgt de grote oversteek te wagen. Om dat te doen moet hij zijn gehandicapte zoon achterlaten, in de hoop dat hij ooit gezond genoeg wordt om over te kunnen steken. In Amerika lijkt het hem voor de wind te gaan, want zoon Sam wordt een welvarend man.

Het noodlot slaagt echter toe: zijn beide zonen sneuvelen aan het front in de Grote Oorlog, zijn vrouw sterft van verdriet en zijn dochter moet hij noodgedwongen in een gesticht achterlaten nadat zij zowel haar broer als moeder op korte tijd verloor en daarmee ook haar verstand. Mendel wordt een schaduw van zichzelf en vervloekt, net als de Bijbelse Job, de God die hem in de steek heeft gelaten. Hij wordt echter liefdevol opgenomen in de gemeenschap en doet karweitjes voor zijn buurtgenoten. Zijn wens om ooit terug naar Zoechnov te keren om zijn zoon Menoechem te zien is er, maar hij weet ook dat dit ijdele hoop is. Menochem zou die oorlogswoede vast niet hebben overleefd. Mendel kwijnt stilaan verder weg, maar niet zonder zich aan een vage hoop vast te houden dat hij genoeg geld bijeen kan scharen om zijn enige overlevende zoon in Europa te gaan zoeken. Buren beschouwen hem als kinds en vrezen dat men met hem niets meer kan aanvangen.

Dan komt de ommekeer. Hij beluistert een plaat die 'Het lied van Menoechem' heet en wordt onwel. Het lied blijft hem achtervolgen. Dan meldt een ver familielid van Debora zich aan bij Mendel en blijkt zoon Menoechem te zijn, die inmiddels genezen is en een befaamd dirigent is geworden, niet toevallig de auteur van het lied dat Mendel achtervolgt. Mendel mag God hebben vervloekt, maar die heeft Mendel niet vergeten en vervult daarmee zijn wens om zijn zoon ooit bij leven en bij welzijn te zien. Het verhaal eindigt met een gelukkige Mendel die weer zin krijgt in het leven en de kwade dagen van weleer een plaats kan geven. Net zoals zijn Bijbelse tegenhanger gaat hij pas na lange jaren de goede dood in, omringd door vele kleinkinderen en 'der dagen zat'. In het portret van zijn kleindochter herkent hij Debora en slaapt in, 'en hij rustte uit van de zwaarte van het geluk en de grootte van de wonderen.'

Er zit een stevige brok Joodse cultuur gebakken in deze roman, die je als leek niet meteen kan ontwaren. Bij de geboorte van Menoechem gaat de vrouw van Mendel, Debora, te rade met de "rebbe" een dorp verderop, een soort wijze man met paranormale gaven. Hij drukt haar op het hart dat het met haar zoon goed zal komen. Hierin zit een profetie verbonden waarmee Roth de kern van het joodse geloof zou aanraken: het geloof in een verlossing en bevrijding van het lijden. Hoop, tegen beter weten in, omdat we geen idee hebben wat de plannen van de Allerhoogste zijn. We worden door de schepper getroffen door zegen en vloek, maar het is niet aan ons dat wij daarin een oordeel vellen over de rechtvaardigheid ervan.

Het boek kan je als een sprookje lezen: het begint goed en eindigt goed en dat is met de grimmige levensloop van de hoofdpersoon een mirakel te noemen. Roth heeft zich voor mij al bewezen met de Radetzkymars, hij hoefde zich dus in dit werk niet meer uit te sloven om me van zijn kunnen te overtuigen. De manier waarop Roth de tanende relatie tussen Mendel en zijn vrouw beschrijft of de eerste indrukken van New York mee mag beleven vanop de eerste rij is meesterlijk. Het is een sprookje dat het loutere moralisme, het oorspronkelijke doel van een sprookje, ver overstijgt en de kleine kantjes van de mens op een gevoelige plek weet aan te raken. Er zitten ook aardig wat autobiografische elementen van Roth in verwerkt: de zwervende Jood is voor hem een beeld dat hij maar al te goed kende en de achteruitgang van dochter Mirjam is gebaseerd op zijn eigen ervaringen met zijn vrouw die ook in een gesticht belandde. Voor Mendel loopt het goed af, voor Joseph kan ik helaas niet hetzelfde zeggen.

Uw recensie werd succesvol toegevoegd

Kom erbij en lees mee.

Begint het te kriebelen?
Goesting om jouw boekenkast aan te leggen?
Laat het leesplezier beginnen!

Inschrijven nieuwsbrief

Meld je aan om verder te gaan!