De jacobsboeken

Olga Tokarczuk

Fictie

4.5 /5

Gelezen? Geef jouw waardering

Succesvol toegevoegd
Door de ogen van de tijdreizende joodse matriarch Jenta volgen we het leven van een controversiële sekteleider. Jacob Frank (1726-1791) bekeerde duizenden joden tot het frankisme, zijn eigen mengelmoesje van joodse en christelijke elementen. Hij kreeg een gevangenisstraf opgelegd toen bekend werd dat er orgieën plaatsvonden onder het mom van religie. Tokarczuk beschouwt deze charismatische, mysterieuze figuur door de ogen van joden, moslims en christenen, van de mannen en vrouwen die hem bewonderden en degenen die hem haatten, en van die ene vrouw die hem als enige werkelijk leek te zien.

Wat anderen schrijven over dit boek

Dit is een fenomenaal boek dat geest en hart verovert; het overweldigt met een achtbaan aan emoties, maar tegelijkertijd blijft het boeiend, sprookjesachtig, mysterieus en.... met een knipoog naar het heden over het gevaar dat nog steeds op de loer ligt voor de adoratie van manipulatieve personen.


Geweldig verhaal ! Prachtig geschreven ! Puur leesgenot !

Ondanks de omvang niet aarzelen om erin te beginnen, beste lezers, want je zal vanaf de eerste bladzijde meegesleurd worden in een wervelend stuk Poolse geschiedenis.

Eigenlijk moet dit boek zes sterren krijgen! Fe-nome-naal wat deze schrijfster uit haar pen tovert. Deze turf boeit van begin tot eind, het verhaal neemt je mee in een wereld boordevol excentrieke, fabelachtige figuren in een wereld dichtbij en toch zo veraf. Ja, dit te mogen lezen is een feest!
Node heb ik afstand genomen van dit meesterwerk. Dankbaar blijf ik om de vele dagen dat ik in deze verre, verbijsterende, wonderlijke wereld mocht rondzwerven. Op de duur slaagt Tokarczuk erin je als lezer het gevoel te geven zelf een personage in haar boek te worden.
Nu ik dit boek heb uitgelezen, overvalt me een gevoel van melancholie. Als na een lange reis in een land waar je bent van gaan houden...
Enkele passages heb ik er voor mezelf uit geplukt, gepikt.

uit Het Boek Van het Zand:

“Een vreemde zijn wil zeggen vrij zijn. Een grote ruimte, een steppe, een woestijn achter je hebben. De gedaante van de maan die als een wieg is die de muziek van de cicaden verdooft, de lucht die ruikt naar de schil van een meloen, het geruis van een scarabee die tegen de avond als de hemel helemaal rod wordt het zand op gaat om te jagen achter je hebben. Je eigen geschiedenis hebben die niet voor iedereen bestemd is, een eigen verhaal dat geschreven is met de sporen die je achterlaat.”
“Reb Mordke blijft achter in Nikopol; hij is oud en moe. (…) Hij heeft een defect radertje in de machine van de wereld gerepareerd. Nu kan ren Mordke zich terugtrekken in de schaduw en de rook van zijn pijp.”
“De hoge, machtige zon verdeelt alles in helder en donker, in schitter en schaduw. Alles is stilgevallen, hij ziet van verre de golven van de zee verstard in onbeweeglijkheid, erboven hangt precies één meeuw alsof hij tegen de hemel zit geprikt.”
“Hoe graag ik ook zou willen, ik kan niet alles opschrijven, want de dingen zijn zo nauw met elkaar verbonden dat als ik ze alleen maar met het puntje van mijn pen aanraak, het ene tehen het andere stoot en even later strekt zich een enorme zee voor me uit.”

uit het Boek van de Weg:

“Ze wendt zich tot de vier engelen als tot lieve, bevriende buren om bescherming voor het huis als zijn straks zal slapen. Haar gedachten vluchten halverwege een zin, de opgeroepen engelen nemen een lichaam aan, hoewel zij zich hen niet probeert voor te stellen. Hun gedaantes lengen, ze trillen als de vlammen van kaarsen en vlak voor ze in een diepe slaap valt ziet Chana tot haar verbazing dat ze op messen lijken, vorken en lepels, waarover Jacob haar heeft verteld, van zilver en goud. Ze staan boven haar, als op wacht dan wel bereid om haar in stukjes te snijden en op te eten.”
“Nu, na de eerste vorst, is alles grauw geworden en voltrekt zich juist het wintertheater van de verrotting. ’s Ochtends zijn de ruitjes in de ramen overwoekerd door de vorst die op naïeve wijze het lentegoed imiteert: bladeren, varenstengels, bloemknoppen.”
“Die spreekt erover met zijn vrouw en zij zwoer dat ze het geheim niet zou verklappen. Maar hoewel niet bekend is hoe het zo kwam, wist in de loop van een paar dagen bijna iedereen het. Woorden zijn als hagedissen, ze zijn in staat zich uit elke opsluiting te bevrijden.”
“Dat argument begint na het middaguur te werken, al ze al gegeten hebben en hun verwarmde lichamen mooi worden en bovendien de schemer die achter de raampjes bezig is in te vallen staalblauw wordt als het scherp van een mes; het lijkt wel alsof hij tot in het oneindige zal voortduren.”
“Moliwda houdt stil waar de wegen uit elkaar gaan, de ene gaat naar Kamieniec, de andere naar Lwow. Hij kijkt achterom. Hij ziet de figuur van Nachman onzeker op zijn paard zitten, in gedachten verzonken, zijn paard loopt stapvoets, hij lijkt wel of hij precies de lijn van de horizon volgt, als een slaperige koorddanser.”

Uit het Boek van de Komeet:

“Als Nachman klaar is met schrijven begint het te schemeren; nog even en buiten zal de haan zo’n dramatisch gekraai laten horen dat Nachman ervan ineenkrimpt, als was hijzelf de nachtelijke demon die bang is van het licht.”
“Al zo vaak heeft hij dit lied gehoord en soms heeft hij meegezongen, dat is ook zo, maar nu, in het verwarmde interieur van de bisschoppelijke rechtbank, waar de geur van vocht strijdt met de lucht van het loog waarmee de vuurplaatsen van de kachel worden gereinigd, waar de vorst gedurende de nacht op de vensterruiten filigreinguirlandes van ijsbladeren eentakjes heeft getekend, klinken de woorden van het “Igadel” absurd, er klopt niets van.”
“En daar wordt hij overvallen door de duistere, kleverige golf van een schuldgevoel, dus rest hem verder niets anders dan een kleine Joodse herberg binnen te gaan en wat te drinken, waarbij hij tegenover de serveerster pronkt met zijn kennis van het Hebreeuws.”

uit het Boek van Metaal en Zwavel:

“Het is begin mei. De velden zijn binnen een paar dagen groen geworden en gele druppels paardenbloem maken gaten in de lappen groen.”

uit het Boek van Het Verre Land:

“Het nietig licht van de sterren, dat alleen een andere werkelijkheid belooft, maar nog niet eens het pad verlicht. De geur van rottende bladeren, de reuk van dieren in hun stallen. De kou die door merg en been gaat. Het vreemde en de onverschilligheid van een wereld die tegengesteld is aan de grote vertrouwelijkheid van die naar de aarde toe gebogen stulpen, de lage, door droge draden van de clematis begroeide schuttingen, de zwakke en onzekere lichten achter de ramen - dat alles paste in de ellendige wereldorde.”

“Dat is nu juist het onrustbarende aan dit nieuwe begrip. De verlichting begint wanneer de mens het geloof in het goede en de wereldorde verliest. De verlichting is de uitdrukking van wantrouwen."

Uw recensie werd succesvol toegevoegd

Kom erbij en lees mee.

Begint het te kriebelen?
Goesting om jouw boekenkast aan te leggen?
Laat het leesplezier beginnen!

Inschrijven nieuwsbrief

Meld je aan om verder te gaan!